Doomsday
zaterdag, januari 9th, 20109 januari 2010 – Zo, mijn eerste werkweek zit erop. Of beter, mijn eerste anderhalve werkdag.
Voorafgaand aan afgelopen 6 januari werd ik nachtelijk geteisterd door de meest dramatische en symbolische angstdromen over geamputeerde ledematen en enge beesten in een boze wereld. Ik wilde niet, ik wilde niet, ik wilde niet! Begrijp me niet verkeerd, ik wilde wél werken. Sterker nog; door een enkele losse opdracht in de afgelopen weken had ik de smaak weer goed te pakken. Daarnaast is het een genot mijn nieuwe speledingetjes (camera en pracht-lens) in praktijk te nemen. Ik wilde heel graag weer fotograferen!
Wat mij echter deed sidderen van angst was het naderende, weliswaar tijdelijke, afscheid dat ik daartoe moest nemen van mijn Teun. Mijn kleine mannetje en ik zouden voor het eerst in zijn korte leventje van elkaar gescheiden worden. Dat simpele feit deed mijn cortisol zo stijgen dat het de endorfines in mijn lichaam kon overrulen. En dat wil wat zeggen. Lange tijd heb ik de gedachte aan dit afscheid van me af kunnen schuiven. Kop in het zand, ik ben een struisvogel… Maar met het wisselen van jaar was er geen ontkomen meer aan. Er ging geen dag voorbij dat ik niet liep te grienen.
Nou maak ik door de bank genomen van mijn hart geen moordkuil, dus ook deze zorgen deelde ik met eenieder die het horen wilde of die simpelweg informeerde hoe het ging. De reacties kwamen vooral van doorgewinterde moeders en een enkele vader en ze liepen uiteen van begripvol tot laconiek. Maar de strekking was in de regel als volgt: “Even doorbijten. Het went.” Sterker nog, ik zou het gaan waarderen om even tijd voor mezelf te hebben, om te doen wat ik leuk vind.
Nou, daar kon ik me niets bij voorstellen. Ik vind Teun leuk! Ik wil leuke dingen met hém doen! Ik heb nog even getracht het plan te pitchen Teun gewoon thuis te houden. Met Teun in de draagzak of box erbij kon mama ook best foto’s maken, vond ik. Daar dacht papa helaas iets anders over. Hij kent me te goed…

Inmiddels is 6 januari, de verwachte doomsday, gekomen en verstreken. Teun is bij de oppasmadam, Jessica, geweest. Het ging er goed. Hij sliep er bedroevend weinig, maar leek er zich wel prettig te voelen. Ook met zijn moeder is het goed gegaan. Op het moment dat de eerste klant, met drie fantastische ventjes (zie foto), over de drempel was, was ik weer in mijn element. Ik heb ervan genoten.
Maar zodra zij hun biezen pakten, deed ik hetzelfde om mij zo snel mogelijk te herenigen met mijn verloren zoon. Op een drafje legde ik de wandeling van drie kwartier af. Ik was er na vijfendertig minuten. Met eigen ogen kon ik aanschouwen dat mijn kereltje nog in goede gezondheid verkeerde en ontspannen op zijn duimpje lag te zuigen in de box. Ik voelde ook de spanning van mij afvallen. De eerste dag (ruim drie uur) zat erop en we leefden nog. Allebei.
Moraal van het verhaal? Ach, weldra zal ook ik een jonge moeder bemoedigend toespreken dat het moeilijk is, maar dat het went. Want net als met zoveel clichés, is deze zo waar als een koe. Toch blijft er steeds een stukje twijfel: doe ik hier wel goed aan? Als het zo verkeerd voelt voor zoveel moeders, is het dan misschien niet ook verkeerd? Nog zo’n cliché immers luidt: een moedergevoel is altijd juist.
Geen populaire gedachte. Ik verwacht dat alle werkende moeders mij hierin luid zullen tegenspreken. Als we zouden toegeven dat het misschien inderdaad niet zo ideaal is allemaal, dan kunnen we onszelf en ons moeder-geweten niet meer sussen.